druilen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drui·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
druilen
druilde
gedruild
zwak -d volledig

Werkwoord

druilen

  1. absoluut in halfslapende toestand, op lusteloze wijze zijn, soezen, suffen
  2. absoluut (verouderd) langzaam handelen of spreken, traag zijn (1811) [2]
  3. onpersoonlijk regenachtig zijn, op lusteloze wijze regenen [3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

druilen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord druil


Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. druilen op website: Etymologiebank.nl
  2. Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).