drommen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drom·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
drommen
dromde
gedromd
zwak -d volledig

Werkwoord

drommen

  1. dringen van een grote groep mensen
    • De mensen dromden voor de winkel waar de uitverkoop begon. 

Zelfstandig naamwoord

drommen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord drom

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.