dromedaris

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een dromedaris in een dierentuin.
Uitspraak
Woordafbreking
  • dro·me·da·ris
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hoefdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dromedaris dromedarissen
verkleinwoord dromedarisje dromedarisjes

Zelfstandig naamwoord

dromedaris m

  1. (zoogdieren) Camelus dromedarius op Wikispecies, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen