drifter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drif·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord drifter drifters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

drifter m

  1. iemand die door hem gemerkte vogels houdt in de vrije natuur
    • „Het probleem is dat de drifters zich ook illegaal veel wilde zwanen toe-eigenen. Die leewieken ze ook en op brute wijze.” Dit bevestigt de vogelaar: „Van het koppel dat al jaren hier op het terrein komt, was de vader al gebrandmerkt, maar niet als eigendom van één van deze twee drifters. Het vrouwtje was wild; niet geringd of voorzien van een tatoeage. Tot na het broeden. Toen had ze opeens de letter E+S op haar snavel staan, het brandmerk van Van Elten en Van der Stok, rara hoe kan dat?” [1] 
    • Diekstra's cliënte, dierenarts Saskia van Rooy, heeft vorig jaar aangifte gedaan van mishandeling door de drifter uit Nieuwerbrug en een van zijn zonen. Zij filmde de praktijken van de zwanendrifters, waarna ze werd belaagd. [2] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. De Telegraaf NIENKE OORT 24 jun. 2015 Leed en emotie door zwanendrifters
  2. De Telegraaf 28 jul. 2015 i 'Pak wapenvergunning zwanendrifters af'