drieling

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drie·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord drieling drielingen
verkleinwoord drielingetje drielingetjes

Zelfstandig naamwoord

drieling m [2]

  1. meerling van drie stuks, drie uit één zwangerschap of dracht geboren kinderen of jongen
  2. drie zaken die tezamen een eenheid vormen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen