driedelig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drie·de·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen driedelig
verbogen driedelige
partitief driedeligs

Bijvoeglijk naamwoord

driedelig [1]

  1. bestaande uit drie onderdelen
  2. een driedelig pak: een pak bestaande uit pantalon, vest en jasje het is een teken van netheid en rijkdom
    • Mijn vader droeg altijd een driedelig pak 
    • Dit is een verhaal over succes. Tenminste, als succes een keuze is. Op het omslag van dat boek stond een lachende man in driedelig pak afgebeeld. Met zijn blote voeten stond hij op een brandstapel. [2] 



Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 7