driearmig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

driearmig kruis
Uitspraak
Woordafbreking
  • drie·ar·mig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen driearmig
verbogen driearmige
partitief driearmigs

Bijvoeglijk naamwoord

driearmig [1]

  1. drie armen hebbend
    • Door tezelfdertijd Hammondorgel, Fender Rhodes en een andere elektrische piano te bedienen, onderwijl met zijn kin subtiel een sampler aanstippend, droeg de schijnbaar driearmige toetsenist zorg voor een enorme verrijking van het geluid. [2] 
    • „Vindt u dat een mooie kandelaar?” Hij wijst naar het opzichtigste driearmige gedrocht dat ik ooit gezien heb: een met nep-Swarovskisteentjes beplakt geval met blikkerende hangpegels. [3] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen