Naar inhoud springen

drieën

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: driën
  • drie·en

dedrieënmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord drie
    • Hij had een koning, twee drieën en een vier. 
     Wij drieën behoorden tot die 1800 mensen die werden aangeduid als 'nog in gevaar'.[1]
     We zijn altijd met zijn drieën geweest, ik kan me niet herinneren dat er een tijd was waarin we elkaar nog niet kenden.[2]

drieën

  1. datief van drie: bij tijdsaanduidingen na voorzetsels
    • Het was even na drieën. 
  • Zij waren met zijn/z'n/hun drieën.
Zij waren drie in getal.
  1. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  2. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500