dribbelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drib·be·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Een frequentatieve vorm van drijven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dribbelen
dribbelde
gedribbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

dribbelen

  1. (ergatief) met kleine passen lopen
    Hij dribbelde door de straat want hij was gestrest.
  2. (ergatief) met de bal aan de voet over het veld heen lopen of rennen
    Hij dribbelde langs alle verdedigers om te kunnen scoren.
Verwante begrippen