doyen
Uiterlijk
- via Oudfrans deien van Kerklatijn decanus "leider van 10 monniken in een klooster" (in Laatlatijn "leider van 10 Romeinse soldaten") [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| doyen | le doyen | doyens | les doyens |
doyen m
- (persoon) hoogstgeplaatste zn ; voornaamste
- (persoon) oudste zn in een bepaalde groep
- (beroep) (onderwijs) decaan
- (religie) (beroep) deken [1] [B]
- (religie) (beroep) deken [2] [B]; hoofd van een dekenaat
- ↑ doyen (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.