dovemansoren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·ve·mans·oren
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dovemansoren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dovemansoren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dovemansoor
  2. oren van iemand die doof is kunnen niets horen
Uitdrukkingen en gezegden
  • voor dovemansoren spreken
    • spreken tegen mensen die toch niets kunnen en willen horen
  • dat is niet voor dovemansoren gesproken
    • dat onthouden de mensen heel goed

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.