doveman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·ve·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doveman dovemannen
verkleinwoord dovemannetje dovemannetjes

Zelfstandig naamwoord

doveman m [1]

  1. iemand die niet kan horen
    • ‘Ook weer een slappe en magere troost, eerwaarde. Gij zijt als doveman, het haalt niets uit, dat men op uw deur klopt. Zeg de hertogin, dat het haar plicht is zich te gedragen naar het voorbeeld van de beschermers van mijnheer Villon. Zet het haar uiteen. Zij moet mij, ik bedoel de dichter en zijn werk, redden.’ [2] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Marcel Matthijs (1954)– [tijdschrift] Vlaanderen De diplomaat en de galg