Naar inhoud springen

douter

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
douter
doutais
douté
eerste groep volledig

douter

  1. twijfelen
  • [1] ne douter de rien
    onbezonnen zijn, te zelfzeker zijn, zonder rekening houden met obstakels of moeilijkheden aan iets beginnen (letterlijk: nergens over twijfelen)