douter
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| douter |
doutais |
douté |
| eerste groep | volledig | |
douter
- [1] ne douter de rienonbezonnen zijn, te zelfzeker zijn, zonder rekening houden met obstakels of moeilijkheden aan iets beginnen (letterlijk: nergens over twijfelen)