dorser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

dorser
Uitspraak
Woordafbreking
  • dor·ser
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van dorsen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord dorser dorsers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dorser m [1]

  1. persoon, dier of machine die men gebruikt bij het dorsen van graan
    • Er is in vrijwel elk dorp een bakker, een kruidenier, een slager en een manufacturier gevestigd, terwijl ook de kapper, de smid, de timmerman en op verschillende plaatsen ook de garagehouder en de loonwerker (loonploegers, -dorsers e.d.) al vrij spoedig de aanvankelijk voornamelijk uit landarbeiders bestaande bevolking kwamen versterken. [2] 
    • Behalve het schedeblazen en het koebriketje rapen, zien we hier de meest krankzinnige en gevaarlijke wedstrijden en shows met koeien, van rodeo, stierengevechten en buffelrennen tot en met stierendressuur. Verder allerlei vormen van koegebruik: als trekker, ploeger, dorser, rij- en lastdier en, bij het Perzische waterrad, als aandrijver van een waterpomp. En allerlei vormen van verering en aanbidding, in alle tijden en culturen, van het bijbelse gouden kalf tot de heilige koe in India. [3] 
Hyponiemen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen