doorzeven/vervoeging
Uiterlijk
dóórzeven
[bewerken]doorgaan met zeven
[bewerken]| vervoeging van de bedrijvende vorm van doorzeven | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | doorzeven | te doorzeven | ||||||||
| toekomend | zullen doorzeven | te zullen doorzeven | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben doorzeefd | te hebben doorzeefd | ||||||||
| toekomend | doorzeefd zullen hebben | doorzeefd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| doorzevend | doorzeefd | ev. doorzeef | mv. verouderd doorzeeft | doorzeve | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | doorzeef | doorzeeft | doorzeeft | doorzeeft | doorzeeft | doorzeven | doorzeven | doorzeven | |||
| verleden (o.v.t.) | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefden | doorzeefden | doorzeefden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal doorzeven | zult/zal doorzeven | zult/zal doorzeven | zult doorzeven | zal doorzeven | zullen doorzeven | zullen doorzeven | zullen doorzeven | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou doorzeven | zou doorzeven | zou(dt) doorzeven | zoudt doorzeven | zou doorzeven | zouden doorzeven | zouden doorzeven | zouden doorzeven | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb doorzeefd | hebt doorzeefd | hebt/heeft doorzeefd | hebt doorzeefd | heeft doorzeefd | hebben doorzeefd | hebben doorzeefd | hebben doorzeefd | |||
| verleden (v.v.t.) | had doorzeefd | had doorzeefd | had doorzeefd | hadt doorzeefd | had doorzeefd | hadden doorzeefd | hadden doorzeefd | hadden doorzeefd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal doorzeefd hebben | zal/zult doorzeefd hebben | zult/zal doorzeefd hebben | zult doorzeefd hebben | zal doorzeefd hebben | zullen doorzeefd hebben | zullen doorzeefd hebben | zullen doorzeefd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou doorzeefd hebben | zou doorzeefd hebben | zou/zoudt doorzeefd hebben | zoudt doorzeefd hebben | zou doorzeefd hebben | zouden doorzeefd hebben | zouden doorzeefd hebben | zouden doorzeefd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm doorzeefd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt doorzeefd | er is doorzeefd | |||||||||
| verleden | er werd doorzeefd | er was doorzeefd | |||||||||
| toekomend | er zal doorzeefd worden | er zal doorzeefd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou doorzeefd worden | er zou doorzeefd zijn | |||||||||
| lijdende vorm doorzeefd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | doorzeefd worden | doorzeefd te worden | ||||||||
| toekomend | doorzeefd zullen worden | doorzeefd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | doorzeefd zijn | doorzeefd te zijn | ||||||||
| toekomend | doorzeefd zullen zijn | doorzeefd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word doorzeefd | wordt doorzeefd | wordt doorzeefd | wordt doorzeefd | wordt doorzeefd | worden doorzeefd | worden doorzeefd | worden doorzeefd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd doorzeefd | werd doorzeefd | werd doorzeefd | werdt doorzeefd | werd doorzeefd | werden doorzeefd | werden doorzeefd | werden doorzeefd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal doorzeefd worden | zult doorzeefd worden | zult doorzeefd worden | zult doorzeefd worden | zal doorzeefd worden | zullen doorzeefd worden | zullen doorzeefd worden | zullen doorzeefd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou doorzeefd worden | zou doorzeefd worden | zou/zoudt doorzeefd worden | zoudt doorzeefd worden | zou doorzeefd worden | zouden doorzeefd worden | zouden doorzeefd worden | zouden doorzeefd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben doorzeefd | bent doorzeefd | bent/is doorzeefd | zijt doorzeefd | is doorzeefd | zijn doorzeefd | zijn doorzeefd | zijn doorzeefd | |||
| verleden (v.v.t.) | was doorzeefd | was doorzeefd | was doorzeefd | waart doorzeefd | was doorzeefd | waren doorzeefd | waren doorzeefd | waren doorzeefd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal doorzeefd zijn | zult doorzeefd zijn | zult doorzeefd zijn | zult doorzeefd zijn | zal doorzeefd zijn | zullen doorzeefd zijn | zullen doorzeefd zijn | zullen doorzeefd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou doorzeefd zijn | zou doorzeefd zijn | zou/zoudt doorzeefd zijn | zoudt doorzeefd zijn | zou doorzeefd zijn | zouden doorzeefd zijn | zouden doorzeefd zijn | zouden doorzeefd zijn | |||
doorzéven
[bewerken]een groot aantal projectielen door iets heen schieten en er dus een zeef van maken
[bewerken]| vervoeging van de bedrijvende vorm van doorzeven | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | doorzeven | door te zeven | ||||||
| toekomend | zullen doorzeven door zullen zeven |
te zullen doorzeven door te zullen zeven | |||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben doorgezeefd | te hebben doorgezeefd | ||||||
| toekomend | doorgezeefd zullen hebben | doorgezeefd te zullen hebben | |||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||
| doorzevend | doorgezeefd | ev. zeef door | mv. verouderd zeeft door | zeve door (bijzin) doorzeve | |||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| hoofdzin | ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | |
| tegenwoordig (o.t.t.) | zeef door | zeeft door | zeeft door | zeeft door | zeeft door | zeven door | zeven door | zeven door | |
| verleden (o.v.t.) | zeefde door | zeefde door | zeefde door | zeefde door | zeefde door | zeefden door | zeefden door | zeefden door | |
| toekomend (o.t.t.t.) | zal doorzeven | zult/zal doorzeven | zult/zal doorzeven | zult doorzeven | zal doorzeven | zullen doorzeven | zullen doorzeven | zullen doorzeven | |
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou doorzeven | zou doorzeven | zou(dt) doorzeven | zoudt doorzeven | zou doorzeven | zouden doorzeven | zouden doorzeven | zouden doorzeven | |
| bijzin | .. dat ik | .. dat jij, je | .. dat u | .. dat gij | .. dat hij, zij, het | .. dat wij | .. dat jullie | .. dat zij | |
| tegenwoordig (o.t.t.) | doorzeef | doorzeeft | doorzeeft | doorzeeft | doorzeeft | doorzeven | doorzeven | doorzeven | |
| verleden (o.v.t.) | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefde | doorzeefden | doorzeefden | doorzeefden | |
| toekomend (o.t.t.t.) | zal doorzeven door zal zeven |
zult/zal doorzeven door zult/zal zeven | zult/zal doorzeven door zult/zal zeven | zult doorzeven door zult zeven | zal doorzeven door zal zeven | zullen doorzeven door zullen zeven | zullen doorzeven door zullen zeven | zullen doorzeven door zullen zeven | |
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou doorzeven door zou zeven |
zou doorzeven door zou zeven | zou(dt) doorzeven door zou(dt) zeven | zoudt doorzeven door zoudt zeven | zou doorzeven door zou zeven | zouden doorzeven door zouden zeven | zouden doorzeven door zouden zeven | zouden doorzeven door zouden zeven | |
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb doorgezeefd | hebt doorgezeefd | hebt/heeft doorgezeefd | hebt doorgezeefd | heeft doorgezeefd | hebben doorgezeefd | hebben doorgezeefd | hebben doorgezeefd | |
| verleden (v.v.t.) | had doorgezeefd | had doorgezeefd | had doorgezeefd | hadt doorgezeefd | had doorgezeefd | hadden doorgezeefd | hadden doorgezeefd | hadden doorgezeefd | |
| toekomend (v.t.t.t.) | zal doorgezeefd hebben | zal/zult doorgezeefd hebben | zult/zal doorgezeefd hebben | zult doorgezeefd hebben | zal doorgezeefd hebben | zullen doorgezeefd hebben | zullen doorgezeefd hebben | zullen doorgezeefd hebben | |
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou doorgezeefd hebben | zou doorgezeefd hebben | zou/zoudt doorgezeefd hebben | zoudt doorgezeefd hebben | zou doorgezeefd hebben | zouden doorgezeefd hebben | zouden doorgezeefd hebben | zouden doorgezeefd hebben | |
| onpersoonlijke lijdende vorm doorgezeefd worden | |||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||
| tegenwoordig | er wordt doorgezeefd | er is doorgezeefd | |||||||
| verleden | er werd doorgezeefd | er was doorgezeefd | |||||||
| toekomend | er zal doorgezeefd worden | er zal doorgezeefd zijn | |||||||
| voorwaardelijk | er zou doorgezeefd worden | er zou doorgezeefd zijn | |||||||