dooreten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·eten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

dooreten [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dooreten
at door
doorgegeten
zwak -d volledig
  1. in een onafgebroken tempo de maaltijd tot je nemen
    • Wie maandag op kantoor werkt, profiteert nauwelijks van de hitte en haar gevolgen voor de eetlust. "Wie driekwart van de dag doorbrengt in een door airco's gekoelde ruimte, gaat van het zomereffect niets meer merken en blijft ook gewoon stevig dooreten." [2] 
    • Elke dag weer: "Eet op! Doorkauwen! Niet morsen! Oh nee hè, kan ik weer een nieuwe broek uit de kast halen. Fijn! Niet spelen met je eten. Dooreten!! Zit niet aan het haar van je zusje, ik heb het netjes gekamd. Eet nou toch doohooor!" [3] 
    • Marco: "Een goede bonbon verdient het dan ook dat je er de tijd voor neemt." Peter: "Al zijn Nederlanders meer van het snel dooreten." [4] 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia S. Swinnen 3 augustus 2015 Afslanken gaat het best bij 30 graden
  3. Tubantia H. Ajarai 8 juni 2017, Naar school
  4. Tubantia M. Meeuwsen 7 februari 2018 Panel proeft bonbons voor Valentijnsdag: liefde in een doosje
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be