doordeweekse

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·de·week·se

Bijvoeglijk naamwoord

doordeweekse

  1. verbogen vorm van de stellende trap van doordeweeks
    • Het willekeurig binnenlopen van familieleden op doordeweekse dagen verstoorde de gang van zaken op de afdeling van het ziekenhuis.