doodtij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dood·tij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doodtij doodtijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

doodtij o [1]

  1. de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
    • Er is geen reden voor ongerustheid. Ook voor de Amerikaans oostkust is het de nieuwe maan die het springtij het hoogst maakt. Maar het eb-en-vloed gebeuren ijlt er inderdaad veel minder na op de maan dan hier, hooguit een dag. Dat komt omdat de kust van New York veel meer in direct contact staat met de vrije oceaan dan Vlissingen. Helemaal synchroon opereren maan en water bijna nergens, want het zeewater moet ook nog even de tijd krijgen om naar de juiste plek te stromen. En als het daar dan is, is die plek alweer ergens anders. Overigens is het verschil tussen springtij en doodtij bij Coney Island niet meer dan twee voet: 60 cm.[2] 
    • We zijn in Utrecht, zie ik. Altijd een lastige stad om te eten. Zeker. Maar picture this: herfstige dinsdagavond, voetbal op tv, doodtij in de horeca. In een winkelstraat aan de rand van het centrum gaan de lampen aan in een bistro-achtig eettentje. De vloer is van hout, de muur een spiegelwand. Aan de open keuken hangen strengen knoflook, flessen staan op planken aan de muur, overal zwerven kookboeken. Beetje knus, beetje rommelig, beetje dertien in een dozijn. Maar volle bak![3]  
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Karel Knip 24 november 2012
  3. Volkskrant Mac van Dinther 10 november 2012
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be