doodsheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doods·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doodsheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

doodsheid v [1]

  1. saaiheid
    • Een gevoel van leegte kan alleen overwonnen worden door een verlangen dat alle drugs, fun en doodsheid van deze wereld overstijgt. Een verlangen naar de levende God, betoogt Gertjan de Jong. [2] 
    • Maar de doodsheid van de gevels wordt meer dan gecompenseerd door het visuele feest van de neobarokke versieringen en vooral het mozaïek. Eerder ontwierpen twee van de drie ontwerpers van de passage, Arno Coenen en Iris Roskam, het spectaculaire tongewelf van de Markthal in Rotterdam waar fruit, groente en dieren uit de hemel naar beneden tuimelen. [3] 
    • Hij pleitte voor een literatuur van 'echte', levende mensen en had kritiek op de onoprechtheid en de doodsheid van de officiële Sovjetliteratuur. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen