donzig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van dons met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen donzig donziger donzigst
verbogen donzige donzigere donzigste
partitief donzigs donzigers -

Bijvoeglijk naamwoord

donzig

  1. met een fijn los verenkleed bedekt
    • "Piep!" zei het donzige kuikentje. 


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.