domotica

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·mo·ti·ca
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van elektronica voor thuisgebruik
enkelvoud meervoud
naamwoord domotica -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

domotica v

  1. (elektrotechniek) het automatiseren van de woning aan de hand van elektronica
    • Met domotica kan jij bijvoorbeeld je verwarming op afstand bedienen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be