domestique
Uiterlijk
- Geluid: domestique (hulp, bestand)
- IPA: /dɔ.mɛs.tik/
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| mannelijk / vrouwelijk |
domestique | domestiques |
domestique
- huiselijk [2]; van het huis of het huishouden
- (dierkunde) tam; gedomesticeerd
- [2] sauvage
| vervoeging van |
|---|
| domestiquer |
domestique
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van domestiquer
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van domestiquer
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van domestiquer
| vervoeging van |
|---|
| domesticar |
domestique
- aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van domesticar
- aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van domesticar
- gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van domesticar