Naar inhoud springen

domestique

Uit WikiWoordenboek
  enkelvoud meervoud
  mannelijk  /
  vrouwelijk  
domestique domestiques

domestique

  1. huiselijk [2]; van het huis of het huishouden
  2. (dierkunde) tam; gedomesticeerd
vervoeging van
domestiquer

domestique

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van domestiquer
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van domestiquer
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van domestiquer


vervoeging van
domesticar

domestique

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van domesticar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van domesticar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van domesticar