doksaal
Uiterlijk
- dok·saal
- Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘wand tussen koor en schip van een kerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276 [1] [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | doksaal | doksalen |
| verkleinwoord | doksaaltje | doksaaltjes |
het doksaal o
- een houten of stenen wand die in een kerk het schip scheidt van het priesterkoor
- Het woord doksaal staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "doksaal" herkend door:
| 23 % | van de Nederlanders; |
| 49 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ "doksaal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be