doem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doem -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

doem m [2]

  1. vloek
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
doemen

doem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doemen
    Ik doem.
  2. gebiedende wijs van doemen
    Doem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doemen
    Doem je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ðum/ (Etsbergs)
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het Oudlimburgse dhuhm.

Zelfstandig naamwoord

doem m

  1. duim
  2. cent
  3. gezin, huishouden
Verbuiging