doelloos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doel·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van doel met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen doelloos doellozer doelloost
verbogen doelloze doellozere doellooste
partitief doelloos doellozers -

Bijvoeglijk naamwoord

doelloos

  1. zonder te weten waartoe iets dient of waar men heen wil
    • En zo begon zijn doelloze zwerftocht, die hem uiteindelijk naar de westkust zou voeren. 
    • Ook, of misschien wel juist, met doelloos rondzwerven kun je ergens komen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.