doeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doeg
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tussenwerpsel: groet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1974 [1]

Tussenwerpsel

doeg

  1. (informeel) een begroeting of afscheidsgroet
    • Nou, doeg!, ik zie jullie morgen wel. 
Synoniemen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen