doedel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doe·del

Werkwoord

vervoeging van
doedelen

doedel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doedelen
    • Ik doedel. 
  2. gebiedende wijs van doedelen
    • Doedel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doedelen
    • Doedel je? 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie