Naar inhoud springen

dock

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
dock docks

[A] dock

  1. (scheepvaart), (waterbeheer) havendok,  dok zn  [2], zuring

[B] dock

  1. (dierkunde) staartwortel
  2. (paardrijden) staartriem
  3. (verouderd), (anatomie) billen

[C] dock

  1. (plantkunde)  klit zn  [2], Rumex op Wikispecies
vervoeging
onbepaalde wijs to  dock 
he/she/it  docks 
verleden tijd  docked 
voltooid
deelwoord
 docked 
onvoltooid
deelwoord
 docking 
gebiedende wijs  dock 

[A] dock

  1. onovergankelijk, (scheepvaart) aankomen in de haven
  2. overgankelijk, (techniek) aan elkaar koppelen
  3. overgankelijk, (informatica) een onderdeel van de gebruikersinterface (zoals de toolbar) naar een bepaalde plek op het beeldscherm slepen en daar vastzetten
  4. onovergankelijk, (seksualiteit), (vulgair) (bij geslachtsgemeenschap tussen twee mannen) de top van de penis in de voorhuid van de sekspartner steken

[B] dock

  1. overgankelijk (een paard e.d.) van een staartwortel voorzien
  2. overgankelijk (bijv. loon) in mindering brengen