dobber

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

extreem vergrote dobbers als kunstwerk
Uitspraak
Woordafbreking
  • dob·ber
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘drijver’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1412 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dobber dobbers
verkleinwoord dobbertje dobbertjes

Zelfstandig naamwoord

dobber m

  1. drijvend voorwerp dat onder water verdwijnt bij het vangen van een vis
    •  

Werkwoord

vervoeging van
dobberen

dobber

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dobberen
    • Ik dobber. 
  2. gebiedende wijs van dobberen
    • Dobber! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dobberen
    • Dobber je? 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een hele/flinke dobber (aan iets hebben)
Iets wat veel moeite kost om voor elkaar te krijgen.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen