diversiteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·ver·si·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verscheidenheid’ voor het eerst aangetroffen in 1540 [1]
  • afgeleid van divers met het achtervoegsel -iteit [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord diversiteit diversiteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

diversiteit v [3]

  1. verscheidenheid
    • De universiteit moet zich meer roeren, vindt Gordijn. Naast bewustwording moet diversiteit nog hoger op de agenda. "De beste remedie hiervoor is mensen van verschillende culturen met elkaar in contact brengen", zegt ze. "Hoe diverser de universiteit, hoe minder dit een probleem is. Vanuit verschillende oogpunten naar mensen kijken is juist voor academici van groot belang." [4] 
    • Het is moeilijk om leiding te geven aan een partij met zo’n grote diversiteit als de SGP. [5] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen