diriger
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| diriger |
dirigeais |
dirigé |
| eerste groep | volledig | |
diriger
- overgankelijk een voertuig, rijtuig of trekdier sturen [4]
- overgankelijk een persoon sturen [7]
- overgankelijk leiden [1], besturen, aanvoeren
- overgankelijk (muziek) dirigeren
- wederkerend zich bewegen [3] richting, gaan naar
- [1] diriger quelque chose vers ...iets richting/naar ... sturen
- [2] diriger quelqu'un vers ...iemand richting/naar ... sturen
- [5] se diriger vers ...zich bewegen richting ...