diplopie
Uiterlijk
- di·plo·pie
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het dubbelzien’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
- met het voorvoegsel diplo- met het achtervoegsel -opie [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | diplopie | diplopieën |
| verkleinwoord |
- Het woord diplopie staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "diplopie" herkend door:
| 16 % | van de Nederlanders; |
| 27 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "diplopie" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ diplopie op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Voorvoegsel diplo- in het Nederlands
- Achtervoegsel -opie in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Medisch in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 16 %
- Prevalentie Vlaanderen 27 %