diploïde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·plo·i·de
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen diploïde diploïder diploïdst
verbogen diploïde diploïdere diploïdste
partitief diploïdes diploïders -

Bijvoeglijk naamwoord

diploïde

  1. (biologie) in de celkern van elk chromosoom twee exemplaren bevattend, door een bevruchting afkomstig van twee haploïde geslachtscellen

Bijvoeglijk naamwoord

diploïde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van diploïd

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen