dimbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dim·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dimbaar dimbaarder dimbaarst
verbogen dimbare dimbaardere dimbaarste
partitief dimbaars dimbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

dimbaar

  1. (vooral van lampen) geschikt om op minder dan de volle sterkte te werken
    • De politiek laat zich gijzelen door een onthutsend immorele industrie en vraagt intussen wel van huishoudens een symbolisch offer: dat ze hun gloeilampen vervangen voor spaarlampen, wat amper besparing geeft, maar wel operatiekamerlicht, want die krengen zijn niet dimbaar.[1] 

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Christiaan Weijts NRC 1 juli 2010
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be