diesel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[3] diesel
Uitspraak
Woordafbreking
  • die·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord diesel diesels
verkleinwoord dieseltje dieseltjes

Zelfstandig naamwoord

diesel m

  1. (motortechniek) motor, aangedreven door gasolie die fijn verdeeld in de cilinders gespoten wordt, waar zij door hoge druk en hoge temperatuur vanzelf ontbrandt
    • Een diesel heeft geen bougies nodig want de brandstof ontbrandt spontaan door de hoge druk en temperatuur in de cilinder. 
  2. voertuig dat met een dieselmotor wordt aangedreven
    • Veel zakelijke personenauto's zijn diesels. 
  3. (figuurlijk) iemand die langzaam maar gestaag kan doorgaan
     Vreemd genoeg had ik haar de afgelopen maand vele malen ingehaald maar kwam ik haar telkens weer tegen. Ze had het ritme van een trouwe diesel, stopte heel zelden en maakte lange dagen.[4]
  4. aardolieproduct dat in aanwezigheid van voldoende zuurstof bij compressie vanzelf tot ontbranding overgaat en zo geen ontstekingsmechanisme nodig heeft
    • In Nederland is een liter diesel goedkoper dan een liter benzine. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dieselen

diesel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dieselen
    • Ik diesel. 
  2. gebiedende wijs van dieselen
    • Diesel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dieselen
    • Diesel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen