dichthouden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dicht·hou·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

dichthouden [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dichthouden
hield dicht
dichtgehouden
klasse 7 volledig
  1. zorgen dat iets gesloten blijft
    • Rotterdam krijgt een nieuw coffeeshopbeleid waarbij de bestaande coffeeshops die in de buurt van nieuwe scholen staan, niet meer volledig hoeven te sluiten. Burgemeester Aboutaleb wil nu dat de coffeeshops in de buurt van nieuwe scholen alleen op schooltijden de deuren dichthouden.[2] 
  2. (sport) verdedigen zodat de tegenpartij niet kan scoren
    • De opbouw van een nieuw Nederlands elftal begint volgens Virgil van Dijk achterin. "En we hebben nu twee keer op rij de 'nul'gehouden, dat willen we graag vasthouden. Hard werken en de boel achterin dichthouden, dat is de basis", zei de verdediger van Southampton na de gewonnen oefeninterland tegen Schotland (0-1).[3] 
  3. dichthouden van mond: zwijgen
    • Bij Muskens vlogen ook stenen door de ruiten en kwamen dreigementen binnen. „Men gelooft wat er in eerste instantie is geschreven. We zijn er ziek van geweest, want iedereen kende het verhaal. Als je ging proberen om de waarheid te vertellen, maakte je het alleen maar erger. Ik kon het beste mijn mond dichthouden en de rechtszaak afwachten, maar de schade was al toegebracht. Ze draaien iemand letterlijk de nek om.”[4] 
  4. de deur dichthouden: iets of iemand ergens niet toelaten
    • PostNL kan de deur niet langer dichthouden voor zijn Belgische branchegenoot Bpost. Dat vindt de Vereniging van Effectenbezitters (VEB), die eist dat het bedrijf op zijn minst in gesprek gaat met de Belgen.[5] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 1 november 2017
  3. de Telegraaf 9 november 2017
  4. de Telegraaf M. Muller 8 december 2016
  5. de Telegraaf 6 december 2016
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be