diaspora

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·as·po·ra
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘verstrooiing buiten de landsgrenzen’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van het Griekse 'speírein' (zaaien, uitstrooien) met het voorvoegsel dia- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord diaspora diaspora's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

diaspora v / m [3]

  1. grootschalige verstrooiing of verspreiding van een volk over verschillende delen van de wereld
  2. het tussen andersdenkenden verstrooid worden van leden van een geloofsgemeenschap
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen