diaspora

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·as·po·ra
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord diaspora diaspora's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

diaspora v / m

  1. grootschalige verspreiding van een volk over verschillende ver van elkaar af liggende landen
  2. (religie) tussen andersdenkenden verspreid raken van leden van een geloofsgemeenschap
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen