deutel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

2. Een houten pen met links een opening voor een deutel en vier losse deutels
Uitspraak
Woordafbreking
  • deu·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deutel deutels
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

deutel m

  1. platte stop waarmee het bomgat midden op op de bolle kant van een vat wordt afgesloten
    • Den Wijn zijn schuim en vuur uit de vaten geworpen hebbende, vullen ze dezelve agt dagen daarna weer op, en dekken ze met een Wijngaard-blad, 't welk ze over het Bomgat uitspreiden. En opdat de dampen van den Wijn dit blad niet uit zijne plaats zouden beweegen, leggen ze 'er een klein steentje op, om het neer te houden, omdat, indien ze 'er een Stop of Deutel opstaken, de Wijn, geen lugt hebbende, den bodem van de vaten zou uitwerpen. [3]
  2. (scheepvaart) spits, vierkant pennetje van eikenhout dat in een houten pen wordt geslagen, zodat die vast komt te zitten
    • Weet je wat een "deutel" is vroeg zij een timmerman. [4]
  3. (scheepvaart) houten nagel
    • Een deutel was een spits toelopende houten pen, achtkant en ongeveer vijftien centimeter lang. Ze werden door het hout van de romp in de kromhouten gedreven en in de kop van de deutel joeg men nog weer een houten pen om de kop stevig in het kromhout te persen. [5]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

13 % van de Nederlanders;
8 % van de Vlamingen.

Verwijzingen