deukte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deuk·te

Werkwoord

vervoeging van
deuken

deukte

  1. enkelvoud verleden tijd van deuken
    • Ik deukte. 
    • Jij deukte. 
    • Hij, zij, het deukte.