deuken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deu·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘een buts maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1772 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deuken
deukte
gedeukt
zwak -t volledig

Werkwoord

deuken

  1. overgankelijk een deuk of deuken maken in iets
    • Tot zijn schrik merkte hij dat zijn nieuwe wagen gedeukt was. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

deuken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord deuk

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen