deuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

wel erg grote deuk in auto
Uitspraak
Woordafbreking
  • deuk
enkelvoud meervoud
naamwoord deuk deuken
verkleinwoord deukje deukjes

Zelfstandig naamwoord

deuk v/m

  1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
    • Dat auto-ongeluk veroorzaakte gelukkig alleen een paar deukjes. 
  2. (figuurlijk) psychologische schade
    • Door die nederlaag liep zijn eigendunk een flinke deuk op. 
  3. een slappe lach
    • Toen ik dat hoorde, lag ik in een deuk! 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
deuken

deuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van deuken
    • Ik deuk. 
  2. gebiedende wijs van deuken
    • Deuk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van deuken
    • Deuk je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.