desillusie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • des·il·lu·sie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontgoocheling’ voor het eerst aangetroffen in 1914 [1]
  • afgeleid van illusie met het voorvoegsel des- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord desillusie desillusies
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

desillusie v

  1. ontgoocheling, grote teleurstelling
    • Churandy Martina verspeelde vrijdagavond zijn tweede Europese titel door een diskwalificatie op de 200 meter. De sprinter, die in de lastige baan acht startte, stapte in de bocht enkele keren op de lijn, wat reglementair verboden is. Na een overtuigende finish en een ereronde met zowel de Nederlandse als Curaçaose vlag kreeg de Europees kampioen op de 100 meter van Studio Sport-verslaggever Jeroen Stekelenburg te horen dat hij de titel op de 200 meter niet had gewonnen. Martina sprak van een desillusie.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen