dergelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • der·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
voornaamwoord
onverbogen dergelijk
verbogen dergelijke
partitief dergelijks

Aanwijzend voornaamwoord

dergelijk

  1. van deze soort, overeenkomstig, zodanig, dusdanig, zulk, zo'n
    • Dergelijk werk wordt vandaag niet meer vervaardigd. 
     ‘Thuis zitten we ook met dergelijke vragen. Mijn kind hoest, die hebben we vandaag thuisgehouden. De school vraagt ouders ook om dat te doen.’[3]
     Waarom God hun alle drie een dergelijke gunst had verleend, was onmogelijk te begrijpen, evenmin waarom hij in hun jeugd hun vader en oom tot zich had genomen door hen te laten verdwijnen op zee.[4]
Opmerkingen

Het voornaamwoord wordt ook samen met een onbepaald lidwoord gebruikt.

Een dergelijke opmerking is niet verstandig in een gevoelige onderhandeling.
Uitdrukkingen en gezegden
  • en dergelijke
en meer van overeenkomstige zaken
Dat hij vaak iets kwijt was en meer van dergelijke onbenulligheden, waren de eerste aanwijzingen dat hij dement aan het worden was.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "dergelijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. dergelijk op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron Charlotte Huisman “Wie neemt er nog de trein op een stil Utrecht Centraal?” (13 maart 2020), de Volkskrant
  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be