deposito

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·po·si·to
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘het in-bewaring-geven, in bewaring gegeven waarden’ voor het eerst aangetroffen in 1585 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord deposito deposito's
verkleinwoord depositootje depositootjes

Zelfstandig naamwoord

deposito o [3]

  1. het in bewaring geven (van geld (aan een bank))
  2. in bewaring gegeven geld
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
depositar

deposito

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van depositar