denkster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • denk·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord denkster denksters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

denkster v

  1. vrouwelijke filosoof
    • Hij vindt Hirsi Ali "een buitengewoon boeiend denkster in een debat dat nog maar net begonnen is". [1] 
    • Over Bloem krijgen we te horen dat "zelfreflectie niet haar sterkste kant is", dat ze "ongearticuleerd" is en een "luie denkster". "Zij die Bloems gestamel alleen schriftelijk tot zich kunnen nemen, verkeren hoe dan ook in het nadeel", schrijft Pruis. [2] 
    • Roy is een romancier, ze schreef een prachtig boek, "De god van de kleine dingen". Maar als denkster of essayiste, daarover heb ik mijn twijfels. Op de vraag waarom ze Delhi niet verlaat zegt ze: "Als ik wegga en als iedereen en alles elke vriend, elke boom, elk huis, elke hond, eekhoorn en vogel die ik ken en waarvan ik hou wordt verast, hoe leef ik dan verder?" [3] 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC M. Oostveen 12 oktober 2002 Paniek en roem
  2. NRC E. Etty 1 maart 2002 Met groenten en bier naar bed
  3. NRC A. Ramdas 10 juni 2002 Hysterie