denken/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van denken | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | denken | te denken | ||||||||
| toekomend | zullen denken | te zullen denken | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben gedacht | te hebben gedacht | ||||||||
| toekomend | gedacht zullen hebben | gedacht te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| denkend | gedacht | ev. denk | mv. verouderd denkt | denke | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | denk | denkt | denkt | denkt | denkt | denken | denken | denken | |||
| verleden (o.v.t.) | dacht | dacht | dacht | dacht[1] | dacht | dachten | dachten | dachten | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal denken | zult/zal denken | zult/zal denken | zult denken | zal denken | zullen denken | zullen denken | zullen denken | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou denken | zou denken | zou(dt) denken | zoudt denken | zou denken | zouden denken | zouden denken | zouden denken | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb gedacht | hebt gedacht | hebt/heeft gedacht | hebt gedacht | heeft gedacht | hebben gedacht | hebben gedacht | hebben gedacht | |||
| verleden (v.v.t.) | had gedacht | had gedacht | had gedacht | hadt gedacht | had gedacht | hadden gedacht | hadden gedacht | hadden gedacht | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gedacht hebben | zal/zult gedacht hebben | zult/zal gedacht hebben | zult gedacht hebben | zal gedacht hebben | zullen gedacht hebben | zullen gedacht hebben | zullen gedacht hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gedacht hebben | zou gedacht hebben | zou/zoudt gedacht hebben | zoudt gedacht hebben | zou gedacht hebben | zouden gedacht hebben | zouden gedacht hebben | zouden gedacht hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm gedacht worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt gedacht | er is gedacht | |||||||||
| verleden | er werd gedacht | er was gedacht | |||||||||
| toekomend | er zal gedacht worden | er zal gedacht zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou gedacht worden | er zou gedacht zijn | |||||||||
| lijdende vorm gedacht worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | gedacht worden | gedacht te worden | ||||||||
| toekomend | gedacht zullen worden | gedacht te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | gedacht zijn | gedacht te zijn | ||||||||
| toekomend | gedacht zullen zijn | gedacht te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word gedacht | wordt gedacht | wordt gedacht | wordt gedacht | wordt gedacht | worden gedacht | worden gedacht | worden gedacht | |||
| verleden (o.v.t.) | werd gedacht | werd gedacht | werd gedacht | werdt gedacht | werd gedacht | werden gedacht | werden gedacht | werden gedacht | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal gedacht worden | zult gedacht worden | zult gedacht worden | zult gedacht worden | zal gedacht worden | zullen gedacht worden | zullen gedacht worden | zullen gedacht worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou gedacht worden | zou gedacht worden | zou/zoudt gedacht worden | zoudt gedacht worden | zou gedacht worden | zouden gedacht worden | zouden gedacht worden | zouden gedacht worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben gedacht | bent gedacht | bent/is gedacht | zijt gedacht | is gedacht | zijn gedacht | zijn gedacht | zijn gedacht | |||
| verleden (v.v.t.) | was gedacht | was gedacht | was gedacht | waart gedacht | was gedacht | waren gedacht | waren gedacht | waren gedacht | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gedacht zijn | zult gedacht zijn | zult gedacht zijn | zult gedacht zijn | zal gedacht zijn | zullen gedacht zijn | zullen gedacht zijn | zullen gedacht zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gedacht zijn | zou gedacht zijn | zou/zoudt gedacht zijn | zoudt gedacht zijn | zou gedacht zijn | zouden gedacht zijn | zouden gedacht zijn | zouden gedacht zijn | |||
- ↑ De vervoeging van sterke werkwoorden bestaat uit de verledentijdsstam (verleden tijd enkelvoud) met uitgang -t (behalve als de stam al op een t eindigt). De klinker a wordt daarbij verdubbeld tot aa, indien de vorm niet eindigt op -d of -t.