deelachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deel·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen deelachtig
verbogen
partitief deelachtigs

Bijvoeglijk naamwoord

deelachtig

  1. een onderdeel zijn van een groter geheel
    • De mythe van de Elfstedentocht ligt in het gewone. Schaatsen en klunen bij nacht en ontij voor een kruisje - voetballers binden hun veters niet eens aan. Het was het epos van het boerenland. Duizenden toeristen uit de Randstad wilden ook eens van de elementen proeven. Een uitputtingsslag meemaken in barre kou. Deelachtig zijn aan de schoonheid van bevroren Friesland. Sport zonder commercie, al liepen ze met duizenden dronken de nacht in, het vet van de braadworst parelend op hun blauw uitgeslagen kin.[2] 
  2. in het bezit zijn van
    • Rijser meent dat Odysseus zich misschien wel, dankzij dit verhaal inleeft in de verslagenen, de verliezers van deze oorlog waarin hij een overwinnaar was. Dat lijkt me nu weer eerder een inzicht dat ons, moderne lezers, deelachtig wordt, maar vooruit. Wat Rijser erbij zegt is daarentegen de spijker op de kop: dat het besef van het menselijk verdriet, eigenlijk het enige waar stervelingen zeker van kunnen zijn, bij Homerus en in de Griekse tragedies ‘niet gepaard [gaat] met sentimentaliteit of weekheid. Het is rauw en waar.’ En dat is precies waarom die traditie ons steeds weer weet te treffen.[3]  
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. deelachtig op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC Hugo Camps 6 januari 2017
  3. NRC Marjoleine de Vos 14 mei 2016