debuteer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·bu·teer

Werkwoord

vervoeging van
debuteren

debuteer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van debuteren
    • Ik debuteer. 
  2. gebiedende wijs van debuteren
    • Debuteer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van debuteren
    • Debuteer je? 


Afrikaans

Uitspraak
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
debuteer
gedebuteer
volledig

Werkwoord

debuteer

  1. debuteren