debben

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deb·ben
Woordherkomst en -opbouw
  • herkomst onzeker [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
debben
debde
gedebd
zwak -d volledig

Werkwoord

debben

  1. inergatief (verouderd) tekortschieten
      O Bruer, so en mogen wy dan ons herte nieuwers nastueren
    Dan tot God, oft wy sullen als Goddeloose verstekers debben.
    [2]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 6 juni 2020 Weblink bron L.M. van Dis (ed.) “Reformatorische rederijkersspelen uit de eerste helft van de zestiende eeuw.” (1937), Drukkerij Vijlbrief, Haarlem, p. 172 r. 757-758