deballoteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·bal·lo·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘afstemmen van kandidaat’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • pseudo-Frans
  • afgeleid van balloteren met het voorvoegsel de- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deballoteren
deballoteerde
gedeballoteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

deballoteren

  1. overgankelijk iemand bij stemming afwijzen als lid

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.

Verwijzingen